Lymfoom of lymfeklierkanker


Wanneer de lymfocyten zich abnormaal gaan ontwikkelen en ongecontroleerd beginnen woekeren, spreekt men van lymfeklierkanker of lymfoom. Een lymfoom onstaat dus wanneer er een fout gebeurt in de manier waarop de lymfocyten worden geproduceerd, waardoor er een abnormale cel ontstaat. Deze abnormale cel kan dan in aantal toenemen op twee manieren: ofwel door een snellere celverdeling, ofwel door een langere overleving.

Lymfomen worden in twee grote families ingedeeld: de ziekte van Hodgkin (of Hodgkin lymfoom) en de niet- of non-Hodgkin-lymfomen. Het verschil tussen beide kan enkel worden gemaakt door middel van microscopisch onderzoek van het lymfeklierweefsel. De patholoog (arts die gespecialiseerd is in microscopisch onderzoek van weefsels) kan meestal vrij snel uitmaken of het om een ziekte van Hodgkin of om een non-Hodgkin lymfoom gaat. Bij de ziekte van Hodgkin worden kenmerkende Hodgkin cellen gezien; deze heel typische cellen hebben in de microscoop het uitzicht van een ‘uilenkop’, bij non-Hodgkin lymfomen ziet de patholoog meestal een gelijkmatige woekering van lymfocyten. Verder onderzoek is dan nodig om het lymfoom nog verder te kunnen omschrijven (zie verder). In sommige gevallen is het voor een patholoog nagenoeg onmogelijk om met eenvoudige middelen de diagnose van lymfoom te kunnen stellen. Dan moet gewacht worden op uitslagen van bijkomende testen zoals speciale kleuringen of onderzoek van het DNA van de lymfocyten.

Tot voor kort was het nog onzeker of de Hodgkin cellen behoren tot de B- of de T- lymfocyten. Met onderzoek van het DNA van de Hodgkin cellen is het inmiddels uitgemaakt dat zij afkomstig zijn van B-lymfocyten, die evenwel ergens tijdens hun ontwikkeling “kreupel” zijn geworden en abnormaal gaan woekeren.

 Non-Hodgkin lymfomen zijn een familie met zeer verschillende familieleden, waarin de laatste jaren toch wat structuur is gekomen. Met de microscoop en met bijkomende kleuringen kan de patholoog deze familie indelen in twee grote groepen: non-Hodgkin lymfomen van het B-cel type en lymfomen van het T-cel type.

Belangrijk voor de behandelde arts en patiënt is dat, naargelang het te verwachten verloop lymfomen (ongeacht hun B- of T-cel type) eveneens ingedeeld worden in lymfomen van zogenaamde “lage maligniteitsgraad” en lymfomen van “hoge maligniteitsgraad”. Het verschil heeft belangrijke gevolgen wat betreft behandeling en prognose (zie verder).

Lymfomen met lage kwaadaardigheidsgraad ontstaan meestal traag, geven weinig klachten en behoeven vaak niet meteen therapie. Lymfomen van hoge maligniteitsgraad ontstaan op korte tijd, geven vaak wel algemene klachten (moeheid, koorts, vermagering) en moeten ook meestal vrij snel worden behandeld.