Verdere onderzoeken:
STAGERINGSONDERZOEKEN


Nadat de diagnose van lymfoom met zekerheid is gesteld, dient een belangrijke vraag beantwoord : waar is er nog aantasting door lymfoomweefsel aanwezig ? Het antwoord op deze vraag is zeer belangrijk, omdat zowel de behandeling, de onderzoeken tijdens en na behandeling en de uiteindelijke afloop van de ziekte hiervan afhangen.
Om te weten waar er lymfoom aanwezig is, dienen een  aantal onderzoeken uitgevoerd:
• bloedonderzoeken,
• radiografische onderzoeken,
• eventueel een aantal bijkomende weefselonderzoeken.

Belangrijke laboratoriumtesten zijn: sedimentatiesnelheid, LDH gehalte, nier- en leverfunctie, aantal rode en witte bloedcellen.

Radiografische onderzoeken dienen vooral om andere klierzwellingen op te sporen. Hiervoor wordt vaak gebruik gemaakt van CT Scan en van een gecombineerde PET/CT Scan. Een CT scan laat vergrote klieren zien (groter dan ongeveer 0.5 tot 1 cm), maar geeft geen informatie of de klier al dan niet is aangetast door lymfoom. Een PET scan (Positron Emission Tomography) laat toe na te kijken waar er abnormaal actief klierweefsel aanwezig is (zowel door lymfoomaantasting als door een infectie). Met de combinatie van een PET scan en een CT scan kan dan ook zeer waardevolle informatie bekomen worden. Vooral na een behandeling blijven op CT scan soms klieren abnormaal groot aanwezig, die dan evenwel met PET scan normaal zijn: dit wijst dan op niet-tumoraal littekenweefsel.

Momenteel wordt meestal bij onderzoek van lymfomen een CT scan en een PET scan in één tijd uitgevoerd.

Naast de radiografische onderzoeken dient soms een bijkomend weefselstaal genomen. Vaak worden een beenmergpunctie en botbiopsie uitgevoerd in de achterste bekkenkam (botbiopsie: wegname van een klein pijpje bot via een holle naald). Soms is ook een punctie in de lever nodig.