BIJWERKINGEN van de chemotherapie


Chemotherapie heeft niet alleen een effect op de abnormale kankercellen, maar eveneens op sommige gezonde cellen. Vooral sneldelende cellen worden getroffen door de cytostatica. Dit verklaart een deel van de nevenwerkingen. Gelukkig verdwijnen de neveneffecten meestal na enkele dagen. De ernst van de bijwerkingen is zeer verschillend van patiënt tot patiënt. Sommige mensen hebben veel last, andere bijna geen. Geen bijwerkingen betekent evenwel niet dat de medicatie niet zou werken.

  •  Invloed op algemene toestand: patiënten die worden behandeld met chemotherapie voelen zich vaak wat lustelozer, af en toe moe, soms prikkelbaar. Werken kan gerust, indien haalbaar. Een zo normaal mogelijk leven verdrijft verveling en neerslachtigheid.
  •  Misselijkheid en braken: vaak het meest gevreesde neveneffect. Dankzij gebruik van nieuwere geneesmiddelen tegen misselijkheid is dit meestal geen probleem meer. De meest gebruikte geneesmiddelen zijn Kytril®, Zofran® en Novaban®. Deze worden gegeven als injectie voor het starten van de chemotherapie. Na de injectie in het dagziekenhuis worden ze nog enkele dagen verder genomen.

De duur van de behandeling dient door de behandelende arts bepaald. Soms worden er nog andere geneesmiddelen bijgevoegd zoals dexamethasone, lorazepam (Temesta) of chlorpromazine. Deze producten worden normaal meegegeven vanuit het dagziekenhuis. Een speciaal attest voor terugbetaling is vereist; dit wordt door de ziekenhuisapotheek geregeld met de behandelende arts.

  •  Smaakverandering: komt soms voor bij chemotherapie, gaat soms samen met ontsteking van mondslijmvlies (stomatitis, zie verder). Vaak ook verandering van geur, metaalsmaak.

Tips in verband hiermee:

Kies eten dat er smakelijk uitziet en ruikt. Gevogelte is soms een goed alternatief. Eet voedsel op kamertemperatuur, kruid eten wat meer – wel oppassen bij gevoelig mondslijmvlies. Blijf geen voedsel eten dat niet meer smaakt gewoon “omdat het toch gezond is”; er zijn alternatieven genoeg.

  • Haarverlies: komt voor bij gebruik van sommige geneesmiddelen; of al dan niet haaruitval optreedt hangt af van de dosis van het gebruikte geneesmiddel, de combinatie met andere geneesmiddelen en individuele gevoeligheid. Er bestaan hiervoor weinig preventieve maatregelen. Het haarverlies begint meestal 3 tot 4 weken na het begin van de behandeling. Bij sommige schema’s kan gebruik gemaakt worden van een koelsysteem dat het hoofdhaar afkoelt. Bij de schema’s die gebruikt worden bij behandeling van bloedziekten is dit evenwel niet werkzaam gezien de dosis van de geneesmiddelen te hoog is. Meestal wordt dan ook gebruik gemaakt van een pruik of van mooie foulards. Voor een pruik is een (beperkte) tussenkomst voorzien van het ziekenfonds. De behandelende arts dient hiervoor een attest af te leveren.
  • Daling van weerstand tegen infecties: vaak geeft chemotherapie een verminderde    weerstand tegen infecties. Dit heeft verschillende oorzaken, waarvan de voornaamste zijn:
    •  mogelijk beschadiging van de slijmvliezen (mond, darm) door de behandeling.
    •  daling van de witte bloedcellen.
    •  daling van de natuurlijke afweerstoffen in het bloed. 
  • Beschadiging van de slijmvliezen van mond, darm: kan een neveneffect zijn van de behandeling. Klachten hierdoor kunnen zijn: 
    • Mond (mondontsteking of stomatitis): gevoelige tong of verhemelte, ontstaan van aften, wit beslag op de tong: verwittig de arts als hierover klachten zijn.

Als behandeling kan gestart worden met mondspoelingen, die tegelijk ontsmettend en pijnstillend zijn (“stomatitis cocktail”). Indien er aanwijzingen zijn voor een bijkomende infectie (herpesvirus of schimmel) kan hiervoor een behandeling worden gestart. De ontsteking geneest meestal spontaan als de weerstand weer beter wordt.

Anti-Stomatitis tips:
Verwijder kunstgebit bij pijn. Probeer “zachte” voedingsmiddelen. Vermeng het eten met boter of saus. Gebruik een rietje om te drinken. Eet voedsel koud of op kamertemperatuur. Mond vochtig houden. Voldoende luchtbevochtiging. Lippen soepel maken bvb met cacaoboter.

  • Darm: kan soms aanleiding zijn voor diarree: te verhelpen met Imodium® indien erg hinderlijk.
  • Daling van het aantal bloedcellen: Door de chemotherapie worden alle snel groeiende cellen geblokkeerd in hun ontwikkeling en celdeling. Naast de cellen in de haarwortels zijn vooral de cellen van het beenmerg erg gevoelig voor de chemotherapie. De stamcellen in het beenmerg worden in meer of mindere mate tijdelijk stilgelegd (dit hangt vooral af van de zwaarte van de behandeling en van het soort geneesmiddelen). In het beenmerg worden drie soorten cellen gemaakt:
    • Rode bloedcellen: tekort hieraan veroorzaakt anemie met als gevolg moeheid, ortademigheid.
    • Witte bloedcellen: tekort hieraan veroorzaakt een verhoogde gevoeligheid voor infecties.
    • Bloedplaatjes: tekort hieraan veroorzaakt sneller bloedingen en bloeduitstortingen.

De meeste chemotherapieschema’s veroorzaken een matige tot belangrijke daling van de witte bloedcellen en rode bloedcellen, vaak minder van de bloedplaatjes. Meestal ontstaat de daling van de witte bloedcellen rond dag 8 tot 10, om te herstellen rond dag 14. Veel schema’s voorzien dan ook in een behandeling op dag 1 en op dag 14 of 21.

Het risico op besmettingen is dan ook het grootst in deze periode (tussen dag 8 en dag 12/14 omdat dan het aantal witte bloedcellen het laagst is. Vaak wordt in deze fase dan ook een bloedcontrole gedaan om het juiste aantal witte bloedcellen te weten. Indien de daling te uitgesproken is, of indien er toch infecties optreden in deze periode, kan de behandelende arts beslissen om geneesmiddelen te geven (groeifactoren) die het beenmerg prikkelen om meer witte bloedcellen aan te maken. Daardoor is de daling van de witte bloedcellen minder uitgesproken en verloopt de behandeling met minder infecties.

  • Neupogen® of Granocyte® wordt toegediend via onderhuidse injectie één keer per dag    gedurende 5 tot 10 dagen. De injectie gebeurt door de thuisverpleegkundige. Toestemming dient gegeven door het ziekenfonds en wordt geregeld door de behandelende arts. Medicatie wordt meegegeven via het dagziekenhuis of ziekenhuis.
  • Neulasta® is een langwerkend geneesmiddel dat 10 injecties van Neupogen vervangt. Neulasta wordt meestal gegeven op de laatste dag van de chemotherapie of de dag erna.

De voornaamste boodschap in verband met verminderdeweerstand is: contacteer altijd een arts (huisarts of behandelende arts) geval van koorts – zeker tussen dag 6 en dag 14 van de behandeling.

  • Rillingen, koorts, jeuk: kunnen soms optreden als overgevoeligheidsreactie op bepaalde geneesmiddelen tijdens of kort na het infuus; deze reactie is niet altijd te voorzien; bij sommige geneesmiddelen waarbij een hoger risico bestaat zal vooraf een inspuiting gegeven worden om deze reacties te voorkomen.

Indien toch een reactie optreedt is er geen reden tot paniek; in alle gevallen gaat de reactie na enige tijd spontaan over.

  • Huidveranderingen: soms kan een donkere verkleuring ontstaan van huidplooien en nagels. Dit wordt soms in min of meer erge mate gezien bij het geneesmiddel Bleomycine, aanwezig in ABVD chemotherapie.
     
  • Flebitis: sommige cytostatica veroorzaken na intraveneuze toediening een soort chemische flebitis of bloedvatontsteking. Dit uit zich door een pijnlijke verharding over het verloop van de vene waarin de behandeling werd toegediend. Meestal begint een flebitis enkele dagen nadat de behandeling werd gegeven. Hiervoor kan niets preventief gegeven worden. Om dit te voorkomen wordt dan ook vaak een poortkatheter ingeplant voordat met chemotherapie wordt gestart. Deze katheter wordt door de chirurg geplaatst in de operatiezaal onder lokale verdoving: meestal wordt de katheter onderhuids ingeplant boven de borstspier net onder de huid.

 

 

  • Bloedarmoede: werd reeds hoger vermeld en komt soms voor bij chemotherapie. Indien bloedarmoede optreedt komt dit meestal niet voor na de eerste behandeling, wel vanaf de derde cyclus. Klachten zijn vooral snellere vermoeidheid bij inspanningen. Als behandelingen zijn te vermelden:
      • Bloedtransfusie van rode bloedcellen: meestal worden twee eenheden gegeven van geconcentreerde rode bloedcellen afkomstig van de bloedbank.
      • Behandeling met erythropoietine of epo: wordt gegeven via onderhuidse inspuiting door de thuisverpleegkundige, 1 x per week of 1 x per twee of drie weken, volgens het gebruikte geneesmiddel en de ernst van de bloedarmoede.
        • Neorecormon®
        • Eprex®
        • Aranesp®Eprex®
  • Verandering in stoelgangspatroon: zowel diarree als constipatie kan voorkomen; constipatie is een vaak voorkomend probleem en wordt veroorzaakt door sommige cytosatica en door de anti-misselijkheid geneesmiddelen. Constipatie kan verholpen worden door veel te drinken, gebruik van vezelrijke voeding en zo nodig middelen tegen constipatie (Duphalac siroop, Movicol zakjes, Laxoberon druppels).
     
  • Verandering in sexuele gewoonten: door de belangrijke belasting van beide partners wanneer chemotherpie wordt gestart is sex meestal het laatste waar een koppel aan denkt. Dit komt voor bij bijna alle koppels; meestal is dit van voorbijgaande aard. Een relatie kan hierdoor wel onder druk komen te staan.