LAATTIJDIGE NEVENEFFECTEN van de behandeling


De behandeling van lymfomen kan worden onderverdeeld in drie stadia: behandeling met chemotherapie, eventueel de radiotherapie en nadien de follow-up. Tijdens de periode na de behandeling wordt de patient regelmatig teruggezien voor controle. Naarmate de tijd vordert zal de kans op herval progessief afnemen, terwijl het risico op laattijdige verwikkelingen van de behandeling kan toenemen. Laatijdige verwikkelingen op de behandeling bestaan, maar gelukkig zijn ernstige verwikkelingen eerder zeldzaam. Er zijn laattijdige verwikkelingen door de chemotherapie, andere ten gevolge van radiotherapie.

 

 

Tabel: behandeling van lymfomen

  


4-8 maanden
 


4 weken 
 

 

Chemotherapie

      • MOPP
      • ABVD
      • MOPP/ABVD
      • BEACOPP
      • CROP
      • ACVBP
      • ...

 Radiotherapie

      • manteveld
      • aangepaste kierstreken
      • 30-35 gy

Follow-up 

      • Hervalrisico daalt
      • Laattijdige complicaties nemen toe

 

Laattijdige problemen na behandeling

  • Blijvende moeheid na behandeling: een deel patiënten blijven klagen van abnormale moeheid meer dan 6 maanden nadat de chemotherapie en /of radiotherapie gestopt werd. Dit probleem werd de laatste tijd meer herkend en heeft eigenlijk geen goede verklaring: het mechanisme ervan is waarschijnlijk verschillend van de moeheid die men ziet tijdens of kort na de behandeling. Men vindt geen afwijking van hartfunctie, schildklierfunctie. Vermoedelijk heeft deze moeheid vooral psychosociale oorzaken.

 Volgende factoren kunnen soms een rol spelen:

    • angstig en verdrietig zijn
    • het niet meer zien zitten
    • niet meer kunnen doen wat men graag wil doen
    • elke nacht liggen te woelen
    • angst voor herval
    • teleurgesteld zijn over wat is overkomen
    • eigenlijk niet ziek willen zijn
    • de schuld van de ziekte bij zichzelf zoeken
    • steeds maar uitleg moeten geven
    • lastig worden van alle adviezen
  •  Vrees voor herval van ziekte en ongerustheid bij “checkups”: dit probleem komt vrij veel   voor en uit zich onder verschillende vormen:
    • vaak ongerustheid enige tijd voor nieuwe controle
    • emotionele instabiliteit
    • werkverzuim
    • klachten: hoofdpijn, diarree, misselijkheid, ...Men moet beseffen dat dit een veel voorkomend probleem is, waarvoor geen goede oplossing bestaat. Geruststelling is nodig, relaxatieoefeningen, eventueel gesprek met een psycholoog. Indien nodig kan men een licht werkzaam anti-angst middel gebruiken. De patiënt dient te beseffen dat een check-up niet noodzakelijk (en vaak niet) dient om herval op te sporen, maar wel voor het onderzoek naar laattijdige complicaties.

Laattijdige problemen na chemotherapie

  • Vruchtbaarheid:
    • Chemotherapie kan een mogelijke oorzaak zijn van onvruchtbaarheid of steriliteit.   Chemotherapie heeft geen effect op de potentie, hoewel het duidelijk is dat alle relaties onder een zekere belasting komen te staan en er vaak van seksuele activiteit minder sprake is tijdens en kort na behandeling.
        • MOPP of MOPP/ABV combinatieschema’s (momenteel nog weinig of niet gebruikt) of BEACOPP en hoge dosis chemotherapie geven vaak steriliteit.
        • ABVD, meest gebruikt voor ziekte van Hodgkin, geeft geen steriliteit.
        • R-CHOP en R-ACVBP geven mogelijk steriliteit.

Het risico voor steriliteit dient individueel bekeken, want is ook afhankelijk van leeftijd.

      • Indien men een effect op vruchtbaarheid vreest, moeten er voor het starten van de behandeling enkele maatregelen worden getroffen:
      • Mannelijke vruchtbaarheid: invriezen van zaadcellen: is een al lang bestaande methode; de zaadcellen worden bekomen via masturbatie en ingevroren in het laboratorium voor in vitro fertilisatie (waar ook embryo’s worden gekweekt en ingevroren).

 De ingevroren zaadcellen blijven onbeperkt bruikbaar.

  • Vrouwelijke vruchtbaarheid: tot voor kort was hiervoor geen goede oplossing, gezien invriezen van eicellen niet mogelijk is. In enkele gevallen (indien voldoende tijd) werden eicellen genomen na stimulatie, werden embryo’s gemaakt en werden deze embryo’s ingevroren. Recent lukte een eerste experiment waarbij stukjes van de eierstok werden ingevroren en waarbij dan nadien embryo’s konden geproduceerd worden uit deze ingevroren eicellen. De stukjes eierstok werden bekomen via laparoscopie (kijkoperatie). Deze techniek is evenwel nog geen routine.

 Hormonale effecten:

  • Bij de man is er weinig effect van chemotherapie op de productie van mannelijk hormoon.
  • Bij de vrouw kan er wel een effect zijn op de productie van vrouwelijk hormoon: hierdoor kan het zijn dat een vrouw vroegtijdig in de menopause gaat: de maandstonden blijven uit en er ontstaan tekens van menopause (warmte opwellingen, …). In dit geval dient vaak gestart met het geven van een hormoonbehandeling.

 Longen:

  • Bleomycine is aanwezig in een aantal gebruikte schema’s (ABVD, R-ACVBP, BEACOPP) en kan voor de longen in zeldzame gevallen schadelijk zijn. Dit uit zich door een toenemende kortademigheid, soms prikkelhoest. Soms is hiervoor dan een korte behandeling nodig met cortisone. Om de diagnose te stellen dient meestal een ademtest uitgevoerd (longfunctieonderzoek) en dient een CT scan gemaakt.

 Gelukkig is in nagenoeg alle gevallen volledig herstel te verwachten.

Hart:

  • Adriamycine is aanwezig in nagenoeg alle schemata die bij de behandeling van lymfomen gebruikt worden (ABVD, MOPP/ABV, BEACOPP). Dit geneesmiddel kan in sommige gevallen de hartspier beschadigen waardoor de pompfunctie van het hart vermindert. Vooral bij patiënten met een al bestaande daling van de hartfunctie kan dit soms een probleem zijn. De geneesheer zal in deze gevallen – of wanneer er een hartspierfunctieprobleem vermoed wordt – voor het starten van adriamycine een bepaling van de hartfunctie laten uitvoeren. Dit kan gebeuren op twee manieren:
    • Echografie van het hart: gebeurt op de afdeling hartziekten door de cardioloog; met een speciaal toestel wordt de hartspier onderzocht.
    • Isotopenscan van het hart: gebeurt op de afdeling isotopen.

Bij jonge personen zonder hartproblemen heeft het uitvoeren van dergelijk onderzoek evenwel weinig of geen zin.

Zenuwstelsel:

  • Sommige geneesmiddelen (vincristine, vinblastine, vindesine: aanwezig in R-CHOP, R-ACVBP, BEACOPP) kunnen irritatie veroorzaken van de zenuwuiteinden, meestal in vingers of tenen. Klachten zijn dan ook vaak tintelingen in de vingertoppen of toppen van tenen, soms branderig gevoel. Soms is constipatie eveneens een probleem.
  • Om dit te onderzoeken wordt soms een EMG uitgevoerd: de neuroloog of zenuwarts voert een electromyografie uit, om de geleidingssnelheden in de zenuwen te meten. Aan de hand hiervan kan de diagnose worden gesteld.
  • In alle geval is spontaan herstel te verwachten. De genezingsduur kan evenwel lang zijn: van 4 tot 8 maanden.

Beenderstelsel:

  • Botversterf (necrose) : komt vooral voor aan de heupkop en kan veroorzaakt worden door chemotherapie die veel cortisone bevat. Dit werd vroeger nogal eens gezien na gebruik van MOPP of MOP/ABV chemotherapie. Deze schema’s worden momenteel niet meer gebruikt. Bij gebruik van ABVD is deze complicatie niet te verwachten.
  • De eerste klacht is vaak vage pijn in heup of knie bij stappen.
  • Als onderzoek dient dan uitgevoerd:

            • MRI
            • botscan
            • radiografie

Behandeling:

    • belasting vermijden
    • decompressie (operatief ingrijpen om de zuurstoftoevoer te verbeteren
    • plaatsen van een protese

 Laattijdige problemen na radiotherapie

  • Hart: er is een klein risico op vernauwing van kransslagader wanneer deze zich in het bestralingsveld bevindt. Bij patiënten met ziekte van Hodgkin is dit vaak het geval als zij bestraaald worden op de borstkast.

Het risico is :

  • afhankelijk van de leeftijd waarop de bestraling werd uitgevoerd.
  • afhankelijk van de bestralingsdosis.

Met de huidige bestralingsapparatuur en de gebruikte bestralingsdosis is het risico op hartproblemen erg laag.

Schildklier: bij bestraling van de klieren aan de halsbasis of in de borstkas, zoals vaak wordt gedaan bij ziekte van Hodgkin, ligt de schildklier gedeeltelijk of volledig in het bestralingsveld. Soms kan hierdoor na een aantal jaren de schildklier onvoldoende gaan werken.

  •  Symptomen van tekort aan schilklierwerking (ook hypothyroidie genoemd):
    • moeheid
    • zwaktegevoel
    • gewichtstoename
    • droog haar
    • koudegevoel
    • spierkrampen
    • constipatie
    • depressie, snel irriteerbaar.
       
  • Meestal zijn er geen symptomen: tijdens de check-ups die elke patient ondergaat wordt de schildklierfunctie regelmatig gevolgd. Een te kort aan schildklierfunctie wordt dan ook tijdig opgemerkt.
  • De behandeling is zeer eenvoudig: dagelijks een pilletje (elthyrone of euthyrox) van het schildklierhormoon dat onvoldoende wordt geproduceerd.